-
Kam haan: Een drierijige of walnootkam in verschillende vormen, grootte mag verschillen, hoewel een kleine, fijne kam geprefereerd wordt. In de Provincie van oorsprong in Japan overheerst de bekerkam (Chalice kam) (In Japan wordt een bekerkam geprefereerd, dergelijke kammen worden in Europa soms als te grote of abnormale walnootkam gezien en kunnen als uitsluitingsfout gezien worden.)
-
Kam hen: In de lijnen waarin de bekerkam overheerst mag deze gemiddeld van formaat zijn, maar hoe fijner hoe beter. (Europees gezien)
-
Snavel: Gemiddeld in lengte, stevig en mooi gebogen.
-
Gezicht: Vol, glad tot vlezig. De vlezige types mogen niet te rimpelig worden zoals bij Yamato, maar naarmate dieren ouder worden wel sprekender. (Rond 1930 bestonden er weldegelijk types met een vlezig gezicht a la Yamato, echter na de wereldoorlog zijn deze verdwenen.)
-
Ogen: Licht rood-bruin tot oranje. (parelogen komen voor, maar zijn niet gewenst)
-
Kinlellen: Als deze aanwezig zijn moeten deze dieprood zijn. Liefst zo klein mogelijk en fijn van textuur.
-
Kop: Gemiddeld in lengte en grootte, schedel een natuurlijke, matige bolling.
-
Hals: Gemiddelde lengte, mooi gebogen. Halsbehang lang, vol en ruim over de schouders hangend.
-
Rug: Vrij lang, opgerichte houding, breed bij de schouders. In een licht aflopende lijn door naar beneden waar het bij de staart weer omhoog gaat. De lengte van de rug en de volle bevedering geven het een mooi gevuld uiterlijk. In feite loopt de kop-rug-staart lijn is een lichte 'S' vorm , hetgeen heel typerend is.
-
Zadelbevedering: Extreem lang en overvloedig, waarbij bij een volwassen haan de zadelveren over de grond slepen nog achter het lijf. Deze bevedering gaat door op het lijf tot onder de vleugels en vormen samen met de staart een fraai gewaad van veren. Pas vanaf een jaar of twee begint er flink lengte in te komen. Ervaring leert dat dieren met een gedeeltelijk NM (non-molting) gen de betere staartpartijen ontwikkelen.
-
Staart: Hoofdstaart. Lang en breed en over elkaar heen vallend. Liefst zo'n 80-120 cm lang, langer is niet gewenst. Is behoorlijk verborgen achter de zadelveren en zet de holle vorm van de rug voort. Hoofdsikkelveren: Dubbel, stevig van textuur, slepend over de grond (op z’n minst 80 cm achter het lijf) Staart moet niet geknepen zijn. Een volle slepende staart is gewenst, maar niet overdrijven in lengte. Ondergeschikte Sikkelveren: Meerdere rijen geconcentreerd rond de vetbult bij de staartbasis. Waardoor het het geheel een vol aanblik geeft. Overvloedig en erg lang, ook zeker zo’n 80 cm achter het lijf. Dekveren: Matig breed en matig qua stevigheid. Moeten de grond halen en het liefst ook slepend zijn.
-
Vleugels: Groot, goed gevouwen onder een lichte hoek gedragen dicht tegen het lijf aan.Lopen door tot de onderbenen. Mooi gebogen, strak en prominent. Dekveren: Veren breed, vormen 2 duidelijke banden over de vleugels. Primairen: Breed, lopen geleidelijk bollend naar achteren, volledig verborgen door de secundairen. Secundairen: Matig breed en sterk. Punten verborgen door de zadelveren.
-
Borst: Breed, vol hooggedragen en iets voorover hangend.
-
Lichaams- en donsveren: Matig lang, stevig. Strak aanliggend. Dons is matig van lengte, niet afhangend.
-
Loopbenen en tenen: Geel. Bij een vooraanzicht staan de poten duidelijk goed uitelkaar in het midden van het lijf, zodat ze een goede houding en ballans hebben vanwege de volle, lange en zware staart. Loopbenen gemiddelde lengte. De tenen zijn lang en goed gespreid.
-
Gewicht: Haan: circa 2500 gram, hen circa 1800 gram (jonge dieren 1350-200 gram)
-
Kleurslagen: Akasasa (wildkleur), Shirosasa (Zilverwildkleur), Kisasa (Goudwildkleur), Go-Shiki (Vijfkleur), Taihaku (Wit) en Shojo (Geel-zwartstaart)